Meer licht!

Hoofdstuk 8 Eten!

Zien met de ‘vleselijke ogen’?

In Contra Faustum doet Augustinus (354-430) een merkwaardige uitspraak. Hij verwijt de manicheese bisschop Faustus en de manicheeërs in het algemeen dat zij met hun ‘vleselijke zintuigen’ (carnalis sensis) het kwaad kunnen zien in slangen, vuur, vergif etc. en het goede in plezierige bloemen, aangename geur en zonlicht. De tekst gaat als volgt:

Want evenals in de Schrift en ook in de wereld is jouw idee van wat kwaad is volkomen afgeleid van het effect op jouw vleselijke zintuigen van zulke onaangename dingen als slangen, vuur, vergif etc. En het enige goede dat jij kent is van datgene wat een gelijksoortig effect heeft op je vleselijke zintuigen, zoals plezierige bloemen en aangename geur en zonlicht en wat verder nog dat sterk gestreeld is door je ogen, je neusgaten, je verhemelte, of andere bekoorlijkheden.[i]

Dit zou betekenen dat de manicheeërs in staat zijn om het goddelijke licht – een pars Dei – in de bloemen, aangename geur etc. waar te nemen door middel van hun ‘vleselijke zintuigen’. Dat is natuurlijk onmogelijk weet Augustinus, want hij ziet het goddelijke licht met de ‘ogen van zijn ziel’:

En door die boeken aangespoord om terug te keren tot mijzelf trad ik binnen in mijn diepste binnenste, door u geleid: ik was daartoe in staat, omdat gij mijn helper zijt geworden. Ik trad er binnen en met het oog, hoe zwak ook, van mijn ziel zag ik, boven het eigen oog van mijn ziel (oculum animae meae), boven mijn geest, een onveranderlijk licht, niet dit alledaagse, voor alle vlees zichtbare licht, en evenmin een licht dat om zo te zeggen van dezelfde aard, maar dan veel groter was, alsof dit aardse licht veel en veel helderder was gaan stralen en alles met zijn grootte in beslag nam, zo was dat licht niet, maar het was iets geheel anders, iets heel anders dan alle dingen van hier.[ii]

In ‘de dingen van hier’ dat ‘beneden U is’[iii] is God niet aanwezig. De wereld is weliswaar van God afkomstig, maar ‘alleen datgene wat onveranderlijk is’[iv] is God. De natuur is vergankelijk; God is daarentegen onveranderlijk. Wanneer Augustinus de manicheeërs verwijt dat zij menen licht en duisternis in de natuur te kunnen waarnemen, verwijt hij de manicheeërs dat (een deel van) God in de natuur te vinden in kleur, smaak etc. Dat deel van God noemen de manicheeërs de ‘gekruisigde wereldziel’ of Jezus Patibilis, weten we inmiddels uit het voorgaande in dit boek.

 

Ik zie, ik zie wat jij niet ziet

Waar de manicheeër het goddelijk licht in de schepping ziet met de vleselijk zintuigen (carnalis sensis), ziet Augustinus ‘het onveranderlijke licht’ boven de geest met de ogen van zijn ziel (oculum animae meae). Volgens Augustinus gaat het daarbij om onzichtbare dingen, terwijl de manicheeërs het presenteren als zichtbare dingen.[v] De manicheeërs zijn materialisten zegt Beduhn en hij legt uit:

Als we spreken over de manicheese fysiologie, moeten we spreken over de manicheese ziel, en dat feit mag de lezer verrassen. Maar deze noodzaak is een directe consequentie van het manicheese materialisme. Het onderscheid tussen materie en geest is niet de kern van het manicheïsme, maar eerder licht en duisternis, goed en kwaad, zijn de verschillen van betekenis.[vi]

De manicheeërs zijn gnostici én –volgens Beduhn– materialisten. Een combinatie die onmogelijk lijkt. Toch komt deze combinatie vaker voor. Dezelfde kwalificatie geeft Tjeu van de Berk aan de rozenkruisers en alchemisten in de zeventiende eeuw. Van den Berk zegt: ‘de alchemist is op zijn specifieke wijze een ‘materialist’. Volgens hem bestaat er slechts één vergeestelijkte materie…’.[vii] De alchemist zoekt de geest in de natuur. Doen de manicheeërs dat misschien ook als ze God zoeken in de kleur, smaak etc.?

 

Smaak, kleur en geur

Hoe kunnen we ons voorstellen dat de manicheeërs het goddelijke in de natuur (kosmos) zien met hun ‘vleselijke zintuigen’? Een paar citaten uit De moribus Manichaeorum van Augustinus maken duidelijk hoe de manicheeërs het goddelijke licht in de natuur waarnemen:

Vertel me ten eerste eens waarvandaan je de leer hebt dat een deel van God bestaat in koren, bonen, groente en bloemen en fruit. Door de schoonheid van de kleur, zeggen jullie, en de zoetheid van de smaak … Zijn ze niet beschaamd dat ze het vinden van God toeschrijven aan de neus en de smaak? Daarvoor pas ik … Waarom zien jullie in de rode kleur van de roos een aanwijzing voor de aanwezigheid van het goede, terwijl jullie dezelfde rode kleur in het bloed veroordelen …  Waarom beschouwen jullie een gele meloen als een deel van de schatten van God, en ranzig vet van spek of een eierdooier niet?[viii]

Opnieuw, als het goede ook ontdekt wordt door te ruiken, [weet dan] dat er parfums zijn van uitstekende geur die gemaakt zijn van sommige dieren … . Maar als we het gezag moeten aannemen van de geur om de aanwezigheid van een deel van God in ieder object te bepalen, dan moet het meer aanwezig zijn in dadels en honing dan in ham, maar meer in ham dan in bonen. Ik geef toe dat het meer aanwezig is in een vijg dan in een lever, maar dan moet je ook toegeven dat het meer aanwezig is in een lever dan in een biet.[ix]

Of moeten we denken dat het goede in grotere hoeveelheden te vinden is als de drie kwaliteiten –een goede kleur, reuk en smaak– tezamen gevonden worden?[x]

Dan hebben jullie ook het schone als bewijs voor de goddelijke aanwezigheid. Niet alleen het schone vanwege de kleur, maar ook vanwege de samenstelling van de delen?[xi]

Volgens Augustinus pretenderen de manicheeërs dat zij het goddelijke door middel van de ‘vleselijke zintuigen’ in de natuur kunnen waarnemen. De manicheeërs bevestigen dit. Maar dan wel met de gezuiverde zintuigen van de electi. De niet-ingewijden kunnen niet onderscheiden of ze nu te maken hebben met archonten of met het goddelijke in de koren, meloenen, groente, bloemen en fruit. Dat is omdat voor de niet-ingewijden de ‘poorten van de zintuigen’ gesloten zijn. Bij de electus beheerst de licht-nous alle levens- en zielefuncties. Dus ook de functies van de zintuigen. Daardoor is de electus in staat om:

… alles wat God welgevallig is [op te nemen], hij (de electus) ziet (?) met zijn ogen de aanblik van de liefde […] en de gerechtigheid.[xii]

De Heilige Geest is heerser in het lichaam, waardoor de poorten van het lichaam – de zintuigen – geopend zijn voor het goede:

Alle poorten waren in die tijd voor het Boze geopend. Nu echter zijn ze voor het Goede geopend geworden. De zonde heerste vroeger in het lichaam, omdat ze alles deed, wat ze wilde, zonder dat ze een heerser hadden. Nu echter heeft men de volmacht van de zonde weggenomen in de organen van het lichaam. De Levende Geest werd heer over al haar leden, hij heeft zie met een vaartuig van de vrede gebonden, met het zegel van het ware gezegeld en de poorten van het lichaam voor het Goede geopend. Daarom komt het Goede in hun oren en ogen naar binnen en laat ze in het hart neer.[xiii]

Met de gereinigde fysieke zintuigen kunnen de  manichese electi kennelijk het licht van de duisternis onderscheiden in het koren, de groenten en het fruit. Niet alleen hebben de manichese electi door het beoefenen van de gnosis de licht-nous ontvangen, ze hebben ook een lichtkleed ontvangen. Dat wil zeggen dat hun lichaam doortrokken is van de Christus-kracht. In het manichese psalmboek lezen we:

Toen ik de roep van mijn Verlosser hoorde, bekleedde een kracht al mijn ledematen; ik vernietigde hun bittere muren; ik doorbrak hun deuren; ik rende naar mijn Rechter. Hij zette de erekrans op mijn hoofd, de zegeprijs gaf hij mij in de hand, hij kleedde mij in het lichtgewaad.[xiv]

Waar Augustinus met de ogen van de ziel het transcendente geestelijke ziet, zien de manicheeërs kennelijk het immanente geestelijke in de natuur door de omkleding van (onder andere) de zintuigen met het lichtgewaad. De manichese electi transformeren hun lichaam van duisternis naar licht.

 

Het zien van de natuurgeesten

Uit de CMC weten we hoe concreet dit voor Mani en de Elchasaïten moet zijn geweest. Zij zien en horen de natuurgeesten in de natuur, in de dadelpalm en in groenten. Zij zien de geest van het water. Mani is zelfs in gesprek met de natuurgeesten. In de CMC zijn verschillende teksten te vinden die dit bespreken. Zie hoofdstuk 5 blz. Deze teksten maken echter wel duidelijk dat het gaat om de openbaring van een geheim mysterie, voorbehouden aan ingewijden (de electi). Een van de Dopers uit de sekte van Elchasaï is in gesprek met Mani over de natuurgeesten die gekweld worden door het handelen van de mens. Een palmboom spreekt tegen Mani:

Als jij voorkomt dat wij bomen pijn lijden, zul je niet sterven zoals deze moordenaar’. Toen werd die Doper van vrees voor mij (Mani) vervuld: hij klom ontdaan uit de boom, wierp zich voor mijn voeten en riep uit: ‘Ik wist niet dat dit onuitsprekelijke geheimenis aan jou is toevertrouwd. Wie heeft jou onthuld dat de palm pijn kan lijden?’ (Mani antwoordde hem:) ‘Wat werd je bang en verschoot je van kleur, toen de palmboom dit tegen je zei. Hoeveel te meer zal Hij ontroerd zijn, met wie alle bomen en planten spreken?’ Toen was die Doper buiten zichzelf van verbazing over mij. ‘Hij sprak tot mij: Bewaar dit geheimnis, verraad het aan niemand, anders vermoordt iemand je nog uit afgunst.[xv]

De voorstelling dat men de natuurgeesten kwelt door onzorgvuldig met de natuur om te gaan vinden we ook terug in de Kephalaia. Daar is een arme manichese gelovige in gewetensnood omdat hij door op het land te werken en voedsel te verbouwen voor de electi bang is om –zoals het hier heet – de lichtziel van de aarde te kwellen. De boer spreekt hier Mani op aan en deze zegt:

 

Opnieuw vroeg een andere leerling van de Apostel (Mani), toen hij tot hem sprak: ‘Ik heb van u gehoord, mijn Heer, toen u in de gemeenschap zeide: het past voor de mens dat hij op de grond let, als hij op een weg loopt, zodat hij het lichtkruis niet met zijn voeten treedt en de planten bederft. – Zo moet men zich ook principieel tegenover een slang opstellen, opdat hij niet op haar trapt en haar met de voeten doodt. Maar vaak zendt de grotere, [die boven mij staat], mij in den vreemde vanwege een goddelijk werk … de kerk, vaak als een leraar van de kerk, waarin ik ben, vraagt (?) of enkele van de vreemde broeders om een aalmoes … om een beetje voeding, wat ze nodig hebben, (dan) weet ik dat dat wat ik doe goed is, omdat ik gehoorzaam aan degene die boven mij staat, die me in de vreemde zendt op de weg. Ook als ik aalmoezen verzamel en dit naar de kerk wordt gebracht en de broeders en zusters daarmee worden verzorgd (??), weet ik en zie ik in, dat ik een groot succes heb bij dit werk. Maar ik vrees ook dat ik misschien zondig, als ik op de weg loop en de aarde vertreed en het lichtkruis verdruk, en doe … zonder kracht met mijn zolen op de weg waarop ik wandel.’[xvi]

Het antwoord van Mani is eenvoudig. Zolang je op de aarde loopt, de aarde bewerkt en groente oogst voor het goede, is er niets aan de hand. Maar doe je dit uit begeerte dan is het zondig en wordt het lichtkruis gekweld. Het is als met een arts, zegt Mani, soms moet die iemand pijn doen teneinde hem te helen.

[…]

[i]. Contra Faustum, XXXII, 20.

[ii]. Confessiones VII, x, 16.

[iii]. Conf. VII, xi, 17.

[iv]. Conf. VII, xi, 17.

[v]. De Moribus. XVI, 38.

[vi]. J. Beduhn, ‘Manichean Concepts of Human physiology’, in: P. Mirecki & J. Beduhn, The Light and the Darkness, NMS 50, Leiden/Boston/Köln 2001, blz. 8.

[vii]. Tj. van den Berk, Die Zauberflöte. Een alchemistische allegorie, Zoetermeer 20044, blz. 149.

[viii]. De Mor. XVI, 39.

[ix]. De Mor. XVI, 40.

[x]. De Mor. XVI, 41.

[xi]. De Mor. XVI, 43.

[xii]. Keph. LVI, blz. 142, 29-31.

[xiii]. Keph. LVI, blz. 143, 20-28.

[xiv]. Psalmen tot  Jezus CCXLIII, blz. 50.

[xv]. CMC, blz. 109, 7-8.

[xvi]. Keph. LXXXV, blz. 208, 11-33, blz. 209, 1.

Verschenen april 2019

Contact

John van Schaik
Hendrik Consciencestraat 9
B-8530 Harelbeke
België
Tel. (0032)(4)76092195
johnvschaik@skynet.be

John van Schaik

Dr. John van Schaik is afgestudeerd op middeleeuwse mystiek en gepromoveerd op de katharen en de manicheeërs. Hij heeft veel gepubliceerd over gnostieke, mystieke en esoterische onderwerpen.

Esoterie

Het begrip esoterie staat voor het geloof in een kenbare geestelijke wereld die invloed heeft op de zichtbare wereld en andersom. Er is geen scheiding tussen stof en geest (monisme). De mens (mikrokosmos) beïnvloedt de geestelijke wereld (makrokosmos) en andersom.

Back to Top